Geplaatst op Geef een reactie

Copsford en Amsterdam

De meesten van ons ervaren, denk ik, vroeg of laat in hun leven, een verlangen naar alleen-zijn, naar een eigen blokhut, buitenhuisje of kasteel, weg van de massa. Weinigen kunnen de aantrekkingskracht van dat afgelegen eiland in een glinsterende zuidzee, de in nevelen gehulde bergtop, of de stille open plek in het bos weerstaan. Sommigen overkomt die hunkering maar één keer in hun leven, anderen voelen haar altijd.

uit: Copsford, geschreven door Walter Murray

Zo begon het boek dat ik gisteren in de trein las, op weg naar Amsterdam en ik wist meteen dat ik het zou verslinden. Want ik heb die hunkering ook, en niet voor de eerste keer, ik hoor bij die anderen. Het is ook niet voor niks dat ik het liefst lees over mensen die ergens afgelegen midden in de natuur wonen, en op donderdag verheug ik me ook elke week weer op Floortje Dessing.

Gelukkig heeft Thad het ook, hij wil later graag molenaar worden en samen dromen we dan over hoe we in onze molen in de polder zullen wonen. Moestuintje erbij, beetje tekenen, lezen, schrijven, en de zon elke dag op en onder zien gaan. De kinderen dromen er bepaald niet van trouwens, en dat begrijp ik ook wel. Plus: erover dromen is heel wat makkelijker en aantrekkelijker dan ook echt zo te gaan leven natuurlijk.

Ik was onderweg naar oud-collega G. Twintig jaar geleden werkten we samen op de bureauredactie van uitgeverij De Boekerij. Zo af en toe spreken we nog eens af, en altijd weer valt de tussengelegen tijd meteen weg, we pakken de draad gewoon weer op. Ik verheugde me. Bij het Paleis op de Dam stapte ik uit de tram, een klein stukje lopen en daar zag ik haar al. Ze stond haar geveltuintje water te geven.

Het is altijd feest om bij G. te zijn. Een huis vol boeken, planten en herinneringen, een thuis-huis waar je je nooit op bezoek voelt. We klommen naar het dak en keken uit over een zonovergoten Amsterdam. Je kunt er werkelijk kijken van Sloterdijk tot Amstel, dichtbij zagen we Atlas torsen, iets verder de Westertoren, heel dichtbij de achterkanten van fraaie gevels (die duidelijk een stuk minder chic zijn dan de voorkanten). G vertelde dat ze hier in coronatijd haar gymnastiekoefeningen deed en ook hoelahoepte. Ik vond dat een prachtig beeld, zo’n hoelahoepende dame op dit hoge Amsterdamse dak. Je hebt werkelijk geen idee als je beneden in de stad loopt.

We lunchten met haar man J – auteur en vertaler, dus genoeg gespreksstof – die heerlijke geitenkaas uit Spanje had meegebracht en ander lekkers van de boerenmarkt. Daarna wandelden we door de stad langs onze oude werkplekken en langs zonnige stille grachten, en G wees me op allerlei moois. Ze kent Amsterdam zo goed! We dronken cappuccino in de tuin van de Hermitage, onder de bloesembomen die net een beetje begonnen uit te vallen waardoor het soms leek te sneeuwen. Prachtig. Zoveel bij te praten hadden we, de middag vloog voorbij.

Op de terugweg, nog vol van Amsterdam, pakte ik mijn boek weer om verder te lezen over de vervallen woning in de middle of nowhere. De tegenstelling tussen het Amsterdamse huis van G en Copsford is groot bedacht ik. Maar ik geloof dat ik van allebei evenveel houd. Ons eigen huis is een tussenweg, ook lang niet gek misschien…

Laat je een berichtje achter?